Verhaaltjes

Op het station

Ronkend lag het oude mannetje te slapen. Rondom hem reden de treinen af en aan. Z'n hoed rustte nog net op het laatste puntje van z'n neus. En in zijn hand hield hij zijn treinkaartje geklemd.
De drie jongens die naast hem gingen zitten, vonden het een vermakelijk gezicht, het snurkende oude mannetje met z'n voorovergezakte hoed.
De jongens hielden van grapjes. Ze besloten dat het weer eens tijd werd voor een grapje.
Ze keken naar het uitdagende treinkaartje in de rechterhand van het mannetje. Heel voorzichtig peuterden ze het kaartje uit de hand van het slapende meneertje. Ze hadden reeds ontzettend pret bij het vooruitzicht van wat er komen zou.
Onder het weghalen van het kaartje sliep het heertje rustig door, nog immer ronkend. Geen enkele voorbijganger had gemerkt wat de jongens deden, en niemand schonk ook maar enige aandacht aan het onderuitgezakte mannetje.

Met een ruk werd het mannetje plotsklaps wakker, schoot overeind, zette z'n hoed recht en ging er vandoor.
De jongens zagen hem een trein binnenschieten. Doch het mannetje kwam er nog harder weer uitschieten. Het was zijn trein niet. Na een poosje om zich heen hebben staan turen, sjokte hij naar de uitgang.
Toen kwam het moment dat hij z'n kaartje moest laten zien. Hij doorzocht al z'n zakken, voelde overal, maar vond geen treinkaartje.

“Nou, komt er nog wat van?”, vroeg de man achter het loket, hoewel hij een glimlach niet kon onderdrukken. Zenuwachtig bracht het mannetje uit, dat-ie z’n kaartje kwijt was; onderwijl nog steeds zoekend. Achter hem barstten de jongens in lachen uit. En ook de kaartjescontroleur vond het een grappig geval het heertje daar te zien staan zoeken naar een kaartje waar hij helemaal niet naar hoefde te zoeken.
“Meneer”, zei de controleur, “zoudt u uw hoed even willen afzetten?”
Verwonderd deed het mannetje wat hem gevraagd werd. Stómverwonderd keek-ie echter toen daar in stille afwachting z’n treinkaartje tussen de band van zijn hoed prijkte.

(15 jr.)


Gesprek in de trein

In de coupé heerste een luidruchtige stilte.
Alle ramen stonden open en 't was er warm en benauwd.
De wind die door de open raampjes naar binnen woei, knoopte her en der een gesprek aan met een vermoeide passagier.
Een enkele vlieg, een bij en nog wat kleiner ongedierte hield hem daar gezelschap bij.
“Drukkend hè”, zei de vlieg tegen de bij.
“Ja, ontzettend warm”, antwoordde de bij.
“Een drukkende warmte”, knikten de kleine vliegjes, mugjes en spinnetjes elkaar veelbetekenend toe.

In de coupé zat een jongeman met een net baardje en tegenover hem zat een oude man met een grote sinterklaasbaard.
“Zullen we?” zei het ongedierte.
“We doen mee”, zeiden de bij, de vlieg en de wind.
Even later was het baardje bevolkt door het kleiner ongedierte en werd de baard bezet door de bij, de vlieg en de wind.
“Meneer,” zei de wind, “slaapt u?”
“Ja”, droomde de oude man hardop.
“U moet er uit meneer”, fluisterde de wind.
“Het is niet waar”, riep de rest in koor.
“Stil toch snotapen!” schreeuwde de wind, “ik ben aan het woord.”

De oude man sloeg z'n ogen op en keek recht in die van de jonge.
Meteen wendde hij zijn ogen weer af en keek naar buiten, naar het voorbijsuizende landschap.
“We gaan hier weg!” kondigde de wind aan, “het wordt hier veel te saai.”
Driftig raasde hij naar een man toe die de krant zat te lezen.
Die een krant hád zitten lezen. Hij sliep.
Met een ruk graaide de wind de krant weg uit de handen van de man.
De man schrok wakker van het lawaai. Hij zag z'n krant aan het andere eind van de coupé liggen.
Behoedzaam en omslachtig stond hij op en liep met lome passen door de coupé, recht op zijn krant af.
Te oordelen naar de keurige buiging die hij maakte om de krant op te rapen, kon de man artiest van beroep zijn.
Op dat moment werd iedereen in de coupé wakker en keek stomverwonderd naar het achtereind van de man.
Langzaam en statig werd het bolle gedeelte minder bol en kwam er aan de bovenzijde een smaller gedeelte bij aan: de rug.
“Gunst”, dacht een oud opoetje dat op weg was naar huis, “last van de warmte blijkbaar.”

De enige èchte conversatie vond plaats tussen de wielen en de rails.
Die gesprekken waren werkelijk amusant om aan te horen. Zulke enorme breedsprakigheden als daar vandaan kwamen, ze waren gewoonweg te verwonderlijk om naar te luisteren.
Slechts een enkele keer stokte het gesprek, meestal bij een station.
Dan was de stilte kilometers rondom de trein gewoonweg even tastbaar als een dichte mist op een maandagmorgen in Londen.

(14 jr.)


Sneltrein

“Is dit de sneltrein?”
“Nee de halfsnel.”
“Hoe bedoelt u?”
“Nou gewoon, halfsnel, precies zoals ik 't zeg.”
“Maar wat betékent halfsnel?”
“U wilt weten wat dat betékent!
Nou kijk, een snelle trein rijdt snel, nietwaar, daar is het een snelle trein voor. En een snelle trein die dus snel rijdt, noemt men sneltrein, snapt u?”
“O.”
“Begrijpt u het?”
“Ja, ja, natuurlijk, ik snap het, maar eh... wat is nu een halfsnel?”
“Dat zal ik u uitleggen, luistert u even goed.
Een sneltrein rijdt snel, dat heb ik u zojuist al uitgelegd. En een halfsnel nu...”
“Die rijdt half zo snel als een sneltrein wellicht?”
“Juist meneer, zeer juist van u opgemerkt! Een sneltrein rijdt snel, en een halfsnel rijdt op halve snelheid... Hé! Wat zei u, wat zei u daarnet eigenlijk?”
“Ik zei, en dat zei u ook, dat een sneltrein snel rijdt en ik zei toen dat een halfsnel dan hálf snel rijdt.”
“Maar meneer, u snapt het niet, u begrijpt er niets van!
Wilt u dat ik het nogmaals uitleg?”
“Met genoegen.”
“U bedoelt?”
“Zoals ik het zeg.”
“Nou goed, u wilde dus weten wat een halfsnel is.
Kijk meneer, u weet wat stoptreinen zijn, niet?”
“Jazeker, dat zijn treinen die stoppen.”
“Juist! En er zijn ook nog treinen die men halfstop noemt, en die stoppen maar half.”
“O.”
“Begrijpt u het?”
“Ja, ja, ik begrijp het volkomen.”
“Welnu, een stoptrein stopt dus. Een sneltrein daarentegen stopt helemaal niet.”
“Ahum.”
“Nou ja, dat wil zeggen, hij stopt wel, maar alleen aan stations.”
“O, juist.”
“Is het u tot nu toe allemaal duidelijk?”
“Volkomen, volkomen! Als m'n vrouw vanavond vraagt wat is een halfsnel, dan kan ik haar piekfijn uit de doeken doen wat dat is.”
“Mooi zo, mooi zo, en wat zegt u dan tegen haar?”
“Wat ik dan zeg? Nou, 's kijken. Ja, dan zeg ik: vrouw, een sneltrein is geen stoptrein, dat weet je. En een stoptrein gaat misschien nog wel harder dan een sneltrein, want een halfsnel gaat ook niet half zo snel als een hele.
En dan zeg ik: En er zijn ook nog halve stoptreinen, en die zijn wel heel maar die stoppen half. Alleen aan stations namelijk.
En dan zeg ik tegen haar: vrouw, nu moet je opletten, want nu ga ik je vertellen wat een halfsnel is.
En dan vertel ik haar dat een halfsnel... eh... dat een halfsnel... zeg verdraaid, wat wás een halfsnel ook al weer?”
“Kijk, meneer, u had 't bijna goed onthouden allemaal, behalve dat laatste. Dat is blijkbaar niet goed tot u doorgedrongen. Ik zou het u graag nog een keer uitleggen, maar mijn dienst zit erop.
Uw sneltrein is zojuist van spoor 5b vertrokken.
Dag buurman!”

(14 jr.)


Snelheidsmaniakken

Onopvallend staat de agent achter de brede boomstam. Nauwlettend op z'n stopwatch turend.
Hij staat zich te verkneuteren van plezier. Z'n gezicht straalt de pret bijna uit.
Maar tegelijk ligt er een grimmige, verbeten trek op z'n gezicht. Hij zal ze wel eens krijgen. Hij zal ze wel eens leren. Die snelheidsmaniakken. Die vlegels.
Dat raust daar maar over de weg of er wet noch gebod bestaat. Dat knettert de bebouwde kom maar binnen of er geen maximumsnelheid bestaat of niets.
Als wij, politieagenten er toch niet waren, wat zou er dan van de wereld terecht komen, vraagt hij zich vaak af.
Hij is er trots op, dat hij een van die mensen mag zijn. Een van de mensen die per slot toch maar de orde en de vrede in heel de wereld moeten bewaren.
Nietwaar? Al zijn er duizenden ministers, honderden koningen of koninginnen, zonder politieagenten zou de wereld in korte tijd ter verdoemenis zijn opgeschreven.
Hij vindt zelf dat hij dat allemaal toch maar erg mooi gefielsoofd had. Of hoe je dat dan maar noemen wilt. Zó erg letterkundig is hij nou ook weer niet.

Ha, daar heb je 'm, de dure vent. Dat rijdt maar in sleeën van wagens, en dan maar zo hard mogelijk. 't Kan nooit hard genoeg bij die lui. En verkeersborden laten ze links liggen. Die egoïsten. Zo lang zij nog maar hard kunnen rijden, kan 't hen niks schelen.
Zogauw ze maar eens met zo'n wagen tegen een boom hebben gezeten. Dán piepen ze wel anders.
Maar hij is op zijn post. Hij staat z'n mannetje wel. Daar ging-ie. Ver boven de vijftig uit.
Resoluut schiet z'n hand de lucht in. Hij lacht vergenoegd. Die is geknipt.

De agenten, die een paar honderd meter verderop stonden, hadden 't al begrepen.
Ook zij kijken elkaar glimlachend aan. En denken: “Goedzo, hoe meer hoe liever.”
Zij zijn wel niet zo filosofisch aangelegd als hun collega, rnaar hun gedachten komen op dit gebied goed met elkaar overeen.
Ook zij zijn paraat om de snelheidszondaar te strikken. Ze zullen die vent wel eens fijn een uitbrandertje geven en een fikse bekeuring erbij. Daar komt-ie. Nog eventjes, en dan zullen ze de weg opspringen en de snelle meneer eens even nóg sneller laten stoppen.
Maar héé, wat is dat?
Daar draait-ie me nou notabene nóg gauw even een zijstraat in.
Zo'n mooie kans. Verkeken.
Wat heeft een politieagent toch ook eigenlijk ondankbaar werk!

(15 jr.)


De Baas

“Meneer” heet-ie.
“Menéér” nota-bene!
Toch vergisten we ons in het begin lekker nog dagenlang, en zeiden: “meester”.
Tot groot leedvermaak van de anderen.
Terwijl we dan zelf het, van woede vertrokken, gezicht van de “Baas” weer iets van kleur probeerden te veranderen door nog gauw "meneer" te stamelen.
Maar buiten zo'n incidentje om, waren die eerste weken voor onze Grootmogol toch de vruchtbaarste van al de jaren, dat we onder zijn spiedend oog moesten vertoeven.
In die eerste weken namelijk, kon hij ons, groentjes dat we nog waren, zo verdraaid makkelijk imponeren.
De beïnvloedingen die hij ons toen heeft laten ondergaan, zijn we, na jaren, slechts met grote moeite weer te boven gekomen.
Gelukkig werden we al gauw wijzer, en een heel stuk, zodat we alle overbodige woorden van ons meneertje tenslotte maar doodleuk langs ons heen lieten gaan.
Wat dan meteen het einde van de Baas z'n roemruchte periode betekende.
Dit is nu al zo'n keer of dertig gebeurd, maar toch heeft-ie 't nog nooit kunnen verkroppen.
Telkenjare was-ie weer een ganse week furieus in z'n k...... laten we zeggen: hoofd.
Dan roste-ie urenlang met zijn aftands rochelwagentje door de stad, en liet ons maar koelbloedig alleen in de klas zitten. Dan mompelden z'n collega's steeds: “'t Is weer zover, z'n schaapkes worden wijzer!”
Inderdaad, z'n schaapkes werden wijzer!
En met hun wijsheid groeiden ook zijzelf.
Ja, ze groeiden 't meneertje zelfs over het hoofd. Nu zitten ze in de vierde klas, en denken nog glimlachend terug aan die eerste weken met de Baas.
Dat baasje, dat klein baasje, dat toch eigenlijk maar een nietig stukje mens was, dat tegen ons, grote slungels moest opkijken, dat met twee flinke tikken van ons machteloos op de grond zou liggen spartelen.
Gelukkig voor hem zijn we wijzer!

(15 jr.)


Zaterdagavond in Rijssen

Evenals honderden andere avonden begon deze zaterdagavond in Rijssen even normaal als anders. Tieners en twens begonnen de straten te vullen, cafés en cafetaria's begonnen vol te raken en brozems knetterden weer met hun brommers door de straten.
Toch zou deze avond niet zo normaal verlopen als het aanvankelijk leek. Deze avond zou in de geschiedenis van Rijssen zelfs een historische avond worden.

Het liep zo tegen achten, toen bleek, dat er op Het Schild iets aan de hand was. Een groepje van zo'n dertig jongelui had er zich verzameld. Gewapend met grote spandoeken stelde men zich op voor, naar later bleek, een rondgang door Rijssen. Nieuwsgierige mensen kwamen haastig toesnellen om toch vooral maar niets te missen van hetgeen er daar gebeurde.

Het duurde niet lang of de groep zette zich, met de spandoeken boven het hoofd geheven, in beweging. Op die spandoeken stond de vreemde mededeling te lezen:
“Wij willen een fuif, maar hebben geen ruimte.”
Alle mensen stonden het groepje met open mond aan te gapen. Vanaf Het Schild zette men koers naar de Grotestraat. Bij het politiebureau hield de stoet halt, en belde men aan. “Nee,” verklaarde men hen daar, “wij hebben geen ruimte voor jullie, wij hebben enkel nog een paar openstaande cellen, en die zijn maar geschikt voor een paar personen.” Daarop trok de groep weer verder, de Grotestraat in. Aan het eind van de Grotestraat ging men een cafetaria binnen om te vragen of men het gebouw ook zolang voor hen wilden ontruimen om er een fuif te kunnen houden.
Ook hier was het antwoord nee.

Vanuit de Grotestraat sloeg de groep rechtsaf de Enterstraat in. Onderwijl sloten zich ook andere jongelui bij hen aan. In de Enterstraat informeerde men links en rechts naar een kleine ruimte, een zaaltje, een kamer, of wat dan ook. Zonder enig resultaat ging men verder, door de Oosterhofweg naar het Parkgebouw. Al hoe meer mensen sloten zich bij hen aan. Toeschouwers vroegen zich af wat dit te betekenen kon hebben. Men spelde de letters op de spandoeken, en velen begrepen de nood, waarin de jonge mensen verkeerden.
Aan het eind van de Oosterhofweg liepen honderden jongeren geestdriftig in de stoet mee.

Na nog een vergeefse poging bij het Parkgebouw, keerde de hele groep zich om, en marcheerde men terug. Dwars door Rijssen, over Het Schild, ging men op weg naar de Noorderkerk. Alle mensen die die avond op straat waren geweest, liepen mee. De straten leeg achterlatend.
In de Oosterhofweg en de Enterstraat kwamen de mensen naar buiten, om te kijken wat er toch aan de hand kon zijn, 't was er zo stil geworden. Maar toen men keek, kon men hun ogen niet geloven, er was geen mens meer te zien!
En dat was nog nimmer in Rijssen voorgekomen, dat er op zaterdagavond geen mens meer op straat was. Opgewekt gingen de mensen weer naar binnen, hopende dat het de hele avond rustig zou blijven.

Intussen was de horde mensen aangekomen bij de Noorderkerk. Eén van hen ging naar de koster om de sleutel te halen. Gewillig gaf de koster de sleutel over. Men maakte de deur van de kerk open. Alle mensen gingen naar binnen en zetten zich neer in de banken. De leider van de groep beklom de kansel, en begon zijn redevoering. Hij sprak over de schrikbarend weinig mogelijkheden die de Rijssense jeugd op zaterdag en zondagavond had. En over het onbegrip voor de verlangens en wensen der jeugd van de ouders en het gemeentebestuur en van de kerken. Onder het spreken kwam de gealarmeerde dominee binnen.

Zenuwachtig drentelde hij tussen de banken door. Hij probeerde nog te protesteren maar het lukte hem niet, er was geen woord tussen te krijgen. Even later kwamen ook de ouderlingen en diakenen binnen. Gezamenlijk stapten zij op de spreker in de preekstoel toe, en bevalen hem op te houden. Doch hun pogingen hadden geen succes. De spreker ging onverdroten door. De mensen in de banken zaten aandachtig te luisteren. Na nog een heleboel vergeefse pogingen der ouderlingen om de kerk te ontruimen, gaven ze het op en barstte men in tranen uit.

En dit konden de mensen en de spreker toch niet aanzien. Bij zoveel verdriet gaven ze het op, en trokken ze met z'n allen de kerk uit. Alleen de ouderlingen, de diakenen en de dominees bleven achter. Van buitenaf deed men de kerk weer netjes op slot en bracht men de sleutel naar de koster terug.
Toen alle mensen weer netjes in het gelid stonden, telde men tot drie en marcheerde men weer terug, Rijssen in. De groep kwam weer op Het Schild. Daar hield men halt en ging men beraadslagen over hetgeen men nu zou gaan doen. Men werd het er over eens, om het in de Grotekerk eens te gaan proberen. De mensen stelden zich op voor de deur, die al gauw geopend werd.
Men was nog maar nauwelijks binnen, toen de dominees, de ouderlingen, de diakenen en de kerkeraadsleden al haastig kwamen aanrennen. Ook hier protesteerde men heftig.

Maar na enkele pogingen werd men getroffen door het vuur waarmee de spreker, een jongeman van zeventien jaar oud, de mensen toesprak. Men begon mee te luisteren. Tenslotte ging men zelfs zitten, en luisterde men even aandachtig als de ander mensen.
Toen de jongeman uitgesproken was, leefden ook zij geheel en al mee. Het was hen duidelijk geworden waardóór de jeugd baldadig werd, en waardoor de straten zo vol waren en er zoveel gebeurde dat niet door de beugel kon. En dat was het ontbreken van mogelijkheden tot ontspanning. Men had begrepen, wáár de jeugd behoefte aan had. En dat die behoeften anders waren dan die van vijftig jaar geleden. En men had ook ontdekt dat zg. “wereldse” ontspanning ook kon samengaan met het christelijke geloof.
En zodoende kwam men tot de conclusie dat er iets voor de jeugd moest worden gedaan. En dat zíj dat konden en moesten doen.

De hele verdere avond bleef de kerk openstaan voor iedereen die maar binnen wilde komen. En men had plezier, en er was muziek.
Op die avond haalde Rijssen 25 jaar achterstand in, en kreeg de Rijssense jeugd voor het eerst in haar leven de aandacht die het verdiende.

(15 jr.)


De Stad Rijssen

Rijssen is een bekende plaats.
Niet alleen in Twente of Overijssel, maar zelfs in heel Nederland.
En wat is daar nu de oorzaak van?
Dat er een reden moet zijn, is zo klaar als een klontje. Want van de omliggende plaatsen, zoals Wierden, Enter, Markelo, Holten enz. heeft men op enkele tientallen kilometers afstand al niet meer gehoord.

De grootste oorzaak is waarschijnlijk wel de kerkelijkheid.
Op dat gebied presteert Rijssen dingen die waarschijnlijk door geen andere Nederlandse plaats worden overtroffen.
Dat is mooi, daar kan het trots op zijn.
Want per slot is het toch maar een klein, onbetekenend stadje, met niet meer dan zo'n vijftien duizend inwoners (in 1962).

Ook op het feit dat Rijssen een stad is, kan 't trots zijn. Want een heleboel andere, zelfs veel grotere plaatsen zijn dat niet.
Zo hebben we bijvoorbeeld Den Haag, het bekende voorbeeld, dat feitelijk toch maar een doodgewoon dorp is.
Nu is het natuurlijk wel zo dat het begrip 'stad' in de loop der tijden veranderd is.
Een grote plaats als Den Haag is tegenwoordig natuurlijk wél een stad.
Maar stadsréchten heeft het niet, en zal het ook nooit meer krijgen.
Rijssen heeft die rechten daarentegen wél.

Het bekendst staat Rijssen dus om zijn kerkelijkheid.
Als men iemand in een ander deel van ons land vraagt of hij de plaats Rijssen kent, tien tegen één dat diegene dan weet te vertellen: “Rijssen, is dat niet die plaats in Overijssel waar iedereen 's zondags drie maal naar de kerk gaat?”
Het is natuurlijk sterk overdreven, maar toch gelooft men het stellig.
Net zoals men in het buitenland denkt dat iedereen in Nederland op klompen loopt.

Rijssen is een kerks plaatsje, desnoods een héél kerks plaatsje, dat is waar. Maar dat iedereen er drie maal naar de kerk gaat op zondag, nee dat is ook in Rijssen niet (meer) het geval.
Wel heel opmerkelijk is het grote aantal kerken. Er zijn er zo'n negen.
En dat zijn negen kerkgemééntes, wel te verstaan.
Vooral valt op het aantal soorten gereformeerde kerken.
Zes gemeentes zijn namelijk gereformeerde kerken:
Gereformeerd Kerk, Gereformeerde Gemeente in Nederland, Gereformeerde Gemeente, Oud Gereformeerde Gemeente in Nederland, Oud Gereformeerde Gemeente en Oud Gereformeerde Kerk.
Voor een onkerkelijk iemand absoluut onmogelijk uit elkaar te houden.
Daarnaast hebben sommige kerkgemeenten meerdere kerken, dus dat Rijssen veel kerken bezit, staat als een paal boven water.

Dat Rijssen zo kerks aangelegd is, brengt ook nogal eens minder prettige dingen met zich mee.
Niet de kerkelijkheid op zichzelf, maar de verkeerde opvattingen van buitenstaanders daarover.
Komt een Rijssenaar bijvoorbeeld in een andere plaats in Overijssel, dan kan hij zich in menige gevallen wel bergen als men hoort waar hij vandaan komt.
Hij krijgt het dan vooral hard te verduren van diegenen die wel eens op zondag in Rijssen zijn geweest of er doorheen gekomen zijn.
De één vindt het waanzinnig dat op zondag alle gordijnen voor de etalageramen der winkels dicht zijn.
Iemand anders heeft pech gehad met zijn brommer, en kon geen hulp krijgen.
“Ze zijn er te 'fijn' om je te helpen!” meent hij minachtend.
En zo zijn er nog wel meer voorbeelden te noemen.

Maar ja, geen enkele plaats is volmaakt.
En vooral als je dan nog iets hebt dat overal bovenuit steekt, de vele kerken, dan is het vaak helemaal mis.

(15 jr.)