Sprookje: De Sok en de Naald

In de kousenla lag ze, de Sok.
Weggedrukt tussen de andere sokken, kousen en sokjes. Niemand keek naar haar om, een enkele keer maar mocht ze haar plicht vervullen: de benen van haar meesteres verfraaien.
Ze had eerlijk gezegd een saai leven. En praten met de andere sokken in de kousenla, dat wilde ze niet, daar voelde ze zich boven verheven. Want ze wist dat ze erg knap was. En ze wás werkelijk de moeite waard om te zien. Ze was bijna zeker de knapste van de kousenla. Daarom had ze er al eens over liggen peinzen om de wijde wereld in te trekken.

Op een rustige, maanlichte nacht zou het dan gebeuren. Ter middernacht, alle andere kousen en sokken in de kousenla sliepen, wrong ze zich door een kiertje uit de kousenla. Daar stond ze dan op de koude slaapkamervloer. Ze had nu toch wel een beetje angst, 't was ook zo donker in de kamer. Toch ging ze verder, 't moest nu maar eens gebeuren.
Ze schuifelde onder de slaapkamerdeur door, de trap af naar de voordeur. En toen stond ze buiten. “Joepie!” dacht ze, “nu ben ik dan eindelijk eens weg uit dat muffe hok!”

Nadat ze een paar minuten had stilgezeten, besloot ze om maar verder te gaan. Ze liep de mooie brede straat af, en kwam toen in een veel drukkere straat dan waar ze juist uit kwam. Drommen mensen en sokken gingen haar voorbij.
Ze liep verder, en toen merkte ze ineens dat ze achtervolgd werd.
't Was een Naald, die uit de naaldendoos van zijn meesteres ontsnapt was, die achter haar aanliep.

De Naald had zich zó geweldig eenzaam gevoeld dat hij het niet meer kon uithouden in de naaldendoos van zijn meesteres. Ook hij was toen de wijde wereld ingetrokken. Hij voelde zich nog steeds heel erg ongelukkig, totdat hij de Sok tegenkwam. Op slag was hij weg van haar. Hij kon zijn ogen niet van haar afhouden. Hij móest haar volgen!
Toen hij een half uur achter haar aangewandeld had, draaide de Sok zich om en beet ze hem toe: “Donder jij toch op, naaldje, ga jij je meesteres maar weer helpen met naaien. En blijf niet steeds achter mij aandrentelen!”

Diep geschokt vertraagde de Naald zijn pas. Nog steeds bleef hij de Sok volgen, maar nu op grotere afstand. Terwijl de Sok nadacht over de mooie manier waarop ze de Naald, die ze helemaal niet leuk vond, had afgepoeierd, wandelde ze weer opgewekt voort.
Ze peinsde er echter over, dat ze toch wel een beetje alleen was. “Zou er niet een geschikt maatje voor mij te vinden zijn?” dacht ze.
Toen kwam daar de Veiligheidsspeld trots aangelopen. De Veiligheidsspeld keek de Sok aan en de Sok keek de Veiligheidsspeld aan. Zo stonden zij daar tien minuten lang.

Helemaal in de ban van de Sok, kwam de Veiligheidsspeld op de Sok afgelopen. Hij pakte haar beet en begon haar te zoenen ... totdat de Sok plotseling luidkeels begon te schreeuwen: “Au, lelijkerd, je steekt me, ga weg! Ik wil je nooit meer zien, hoor je dat? Nooit weer!!!”

De Naald, die dat alles op een afstandje had bekeken, en daardoor op slag zijn liefde voor de Sok had verloren, zag hoe de Veiligheidsspeld zich geschrokken omdraaide en het op een lopen zette. De Sok liep met opgeheven hoofd weer door. “Op naar de volgende!” dacht ze.
Toen struikelde ze over een steen en viel ze languit in een modderplas. Doordat er niemand was die de modder weer van haar afwaste, zag nu ook niemand meer hoe knap ze was.
Er kwam nooit meer iemand voorbij die haar nog aantrekkelijk vond, en de Sok bleef haar leven lang moederziel alleen op de wereld!

(16 jr.)