Het Schoolopstel

Als ik eens één dag onderwijzer was

Als ik eens één dag onderwijzer was, ja dán!
Dan zou in die ene dag het onderwijs tot ongekende hoogte opbloeien.
Dan zouden de leerlingen zát van kennis naar huis terugkeren, 's middags.
En dan zou de school tien keer te klein worden voor de grote drommen kinderen die les van mij wilden hebben.
Laat ik eens zo'n dag schilderen.

“Hallo jongens, allemaal goed geslapen vannacht?”
“Mmmm!” meesmuilen de meisjes, “hij zegt jóngens!”
“En hallo meisjes, hebben jùllie goed geslapen?”
“Nou en of!!” brult de klas, dan in wilde opwinding.
“Nou, da's dan jammer, want dan kunnen jullie nu niet meer slapen!”
“Nee, da's jammer,” mompelt de klas terug.
“Afijn, jongens én meisjes, dan zullen we er wel wat anders van proberen te maken!
Wat doen jullie het liefst?”
“Appeltaart eten!” schreeuwt de klas als antwoord.
“Appeltaart eten, okee, 't zal gebeuren. Piet haal eens als een hazewind drie-en-dertig appeltaarten van de bakker hier om de hoek.”
Piet stuift weg.
Drie minuten later staan er drie én dertig appeltaarten in de klas.
“Deel ze maar uit, Piet!”
Piet gaat rond met de appeltaartjes.
Allemaal pakken ze een taart van 't stapeltje.

Als alle appeltaarten verwerkt zijn (nou ja, half dan), vraagt meneer:
“En nu, wat nu?”
“Limonade!” roept de bende.
“Limonade, goed. Piet, haal eens drie-en-dertig flesjes limonade van de kruidenier hier om de andere hoek.”
Piet stuift weg.
Hij komt terug met drie-en-dertig gezinsflessen limonade.
“Drinken maar!” commandeert meneer.
“En Jan, haal jij de pick-up eens op!”
Jan rent weg, en komt terug met de grammofoon.
Meneer legt er een plaatje op, en begint te draaien. De pick-up dan.
Jazz!!!
“Hebt u niet wat anders?” vraagt de klas.
“Zeg maar je,” antwoordt meneer, “dat klinkt veel beter. En wat wou je hebben, rock and roll?”
“Nee! Twist!!” is het bedeesde antwoord van de klas.
“Twist? Goed, ik heb er genoeg!”
Even later schettert dan ook de “Ya-ya-twist” door de school.
De leerlingen zitten te genieten. Ze wiegen mee op de maat van de muziek.
Na een kwartiertje vraagt meneer: “Wie heeft er genoeg van?”
“Ik!!” roept iedereen.
“Mooizo, dan gaan we nu wat anders doen. We gaan naar huis namelijk, 't is twaalf uur. Om twee uur komen jullie weer.
De troep wringt zich naar buiten, en voelt zich werkelijk voor 't eerst in jaren eens voldaan.

Thuis praten de kinderen over niets ander dan over school.
“We hebben een boel gedáán zeg! En we hebben nog veel meer geleerd.”
“Nou, dat is héél fijn”, vinden de ouders, en ze denken: “Die nieuwe onderwijzer zal wel goed zijn, onze kinderen doen er zo enthousiast over.”

's Middags, als de school weer is begonnen, herhaalt zich hetzelfde van 's morgens.
Om tien minuten over half vier krijgen alle leerlingen drie-en-twintig dikke leerboeken. Ze moeten thuis van elk boek de eerste drie bladzijden leren.
Bij elkaar moeten ze dus 69 bladzijden leren.

“En morgen gaan we fijn de hele dag naar de bioscoop!” zegt meneer.
“Néééé!!” antwoordt de klas, morgen gaan we léren!

(1962)


Mogelijkheden van een reis naar de maan

"Weet jij nu hoe de maan er precies uitziet, Peter?" vraagt kleine Kareltje aan z'n vriend.
"Nee," antwoord Peter, "nee, nu je 't zegt, daar weten we eigenlijk maar heel weinig van, van de maan. Maar als je 't graag zou willen weten, kunnen we er wel eens heen gaan."
Kareltje zit stomverbaasd en met open mond naar Peter te luisteren; naar de mààn, zij beiden!
"Maar hoe?" vraagt hij dan benepen.
"O, gewoon, we bouwen een klein raketje."
Avond aan avond zitten ze nu met hun tweeën in het schuurtje achter Peters huis. Ze werken vol ijver aan hun eigen 'raket naar de maan'. Op de vuilnisbelt hebben ze enkele dagen lopen zoeken naar geschikt materiaal voor hun raket. Ze hebben een grote oude stofzuiger gevonden, die Peter geschikt leek. Ze schuren hem helemaal schoon, verven hem weer op en maken er twee zitjes op. Kleine Kareltje zit vol problemen over hun aanstaande vlucht.
"Gaan we héél hard?" vraagt hij. "Ja, we gaan zò hard," zegt Peter, "dat het geluid ons niet bij kan houden."
Dat kan Kareltje niet snappen, maar hij denkt dat het toch wel erg koud zal zijn daar boven.
"O, neen," meent Peter, "we komen dichter bij de zon, en hoe dichter bij de zon, hoe warmer."
"En hoe krijgen we onze raket de lucht in?" vraagt Karel weer.
"Da's heel gemakkelijk, we halen een heleboel pakken lucifers, snijden de kop er af, en stoppen die achter in ons raket, in een afgesloten ruimte."
"Zou dat wel mogelijk zijn?" vraagt Kareltje geleerd.
"Natuurlijk is dat mogelijk, waarom niet?"
"Nou ja, goed, 't is onze enige mogelijkheid," bedenkt Kareltje.
"Maar hoe komen we weer van de maan af?" vraagt Kareltje dan.
"Dat is helemáál eenvoudig," zegt Peter, "we laten ons gewoon, mèt raket, van de maan af vallen, dan komen we vanzelf weer op de aarde terecht."
Nu vraagt Karel niets meer, "Peter zal het wel weten," denkt hij, "Peter weet alles."
Na verschillende weken hard gewerkt te hebben, is hun raket klaar. De luciferskoppen zitten erin, de zitjes zitten goed op de stofzuiger, en Peter en Karel staan dik aangekleed naast de raket. "Want," zegt Peter, "in 't begin zullen we nog wel een beetje koud worden, dus dan moeten we wel warm ingepakt zijn."
Nu rijden ze hun raket naar buiten. Kareltje gaat eerst zitten, en dan Peter.
"Zo, alles klaar?" roept Peter, "dan gaan we!"
Peter houdt een brandende lucifer bij de andere luciferskoppen en ... ffffft, een grote vlam schiet achter uit het toestel.
Al gauw zijn de lucifers opgebrand.
"Zijn we al op de maan?" vraagt Kareltje dan, ik heb 't zo warm!"
"Nee," antwoord Peter teleurgesteld, "we zijn geen centimeter verschoven."
Dan komt Peters moeder het huis uit lopen. "Hebben jullie het werkelijk zo koud, dat jullie je zo dik gaan aankleden en een vuurtje onder je achterwerk gaan stoken?" vraagt ze.
"Nee," zegt Peter, "we wilden naar de maan, maar 't lukte niet."
"Ja," zegt Kareltje, "en ik heb mooi mijn bibsje verbrand!"

(1958)


We hebben pas telefoon

"Een telefoon," zei vader, "is vandaag aan de dag geen luxe meer! 't Is een nuttig en onmisbaar voorwerp geworden, net zoals een stofzuiger, wasmachine en dergelijke. 't Is eigenlijk een schande, dat wij nog geen telefoon in huis hebben! Jullie weten niet wat we in feite missen!"
Vijf dagen later hing er in de gang, naast de kapstok, een zwartglanzend telefoontoestel. Het bracht heel wat verwikkelingen met zich mee.
De eerste keer dat we opgebeld werden, nam vader de telefoon aan.
"Hallo!!" riep hij luid. Hij wachtte, en heel uit de verte klonk er een stem die antwoord gaf. Vader kon hem niet verstaan. "Hallo!" riep hij daarom nog maar eens. Opnieuw piepte het stemmetje heel uit de verte. Door het geschreeuw van vader kwam de hele familie om hem heen staan, terwijl hij alsmaar riep: "Hallo!"
"Draai de hoorn eens om!" zei moeder. Vader draaide de hoorn om. "Ringgg!" hoorde hij luid in z'n oor, en direct daarop viel er een doodse stilte in de hoorn. "Hij is weg," mompelde vader. Een week later zat moeder in bad. 't Was elf uur 's morgens en allemaal waren ze naar hun werk. Opeens ging de telefoon voor de tweede keer in z'n loopbaan bij de familie. "Helpie!" dacht moeder, "de telefoon." Ze sloeg vlug een handdoek om zich heen, en liep naar het toestel. Ze zei haar naam, om dan tot de ontdekking te komen dat de man aan de andere kant van de lijn verkeerd verbonden was. "Verbindt u zich dan beter!" beet ze de man toe.
Op dat ogenblik keek de melkboer door 't raampje van de voordeur... De handdoek was afgegleden en lag op de grond! (*)

De derde keer dat er opgebeld werd, was er een familielid uit de buurt aan de telefoon. 't Was tegen twaalven. Het familielid leuterde over van alles en nog wat, en toen moeder weer in de keuken terugkwam, waren de aardappels pikzwart verbrand. Ze waren net zo zwart als het telefoontoestel zelf. Dat telefoontoestel, dat nuttige en onmisbare ding, dat allang geen luxe meer was...

(* Commentaar van de leraar: ONGEPAST. Dit bederft de zaak, schrijf zulke dingen niet. Het is niet fatsoenlijk.)

(1960)


De oorzaken van de Eerste Wereldoorlog

De tijd tussen de Frans-Duitse oorlog en de Eerste Wereldoorlog noemt men de Gewapende Vrede.
Deze gewapende vrede duurde ongeveer van 1870/1871 tot 1914.
In het jaar 1914 begon dan tenslotte de eigenlijke oorlog. Deze oorlog heeft zo'n jaar of vier geduurd. Dit is heel makkelijk uit te rekenen, want de jaartallen voor deze Eerste Wereldoorlog zijn (zeer waarschijnlijk) 1914 (hierboven reeds genoemd bij de tijdsduur van de Gewapende Vrede, dat was namelijk van 1870 tot 1914) en 1918.
1918 was dan tevens het jaartal voor het eind van deze oorlog. Er kwam toen de een of andere vrede, en het leed was weer geleden. Tot 1940 dan, want toen begon er weer een andere wereldoorlog, genaamd de Tweede Wereldoorlog. In die oorlog bleef Nederland niet - zoals in de Eerste - neutraal.

Over de oorzaken en de aanleiding tot de Eerste Wereldoorlog is heel wat te vertellen.
Eén van de oorzaken was vermoedelijk die gewapende vrede, waarover in 't begin al gesproken is.
Een gewapende vrede is een tijd waarin vriend en vijand langs elkaar heen lopen, tot de tanden toe gewapend, met opgetrokken bovenlip zodat een rij vervaarlijke tanden zichtbaar wordt, met een pistool onder het hemd op onveilig, maar zonder elkaar ook maar aan te raken. Zoiets heerste er dus van 1870 tot 1914.
Verder was er nog de drang van Frankrijk (of Duitsland) om revanche te nemen op Duitsland (of Frankrijk) over het een of ander geschil, lang lang geleden. (Bij nader inzien lijkt het me toch beter om Duitsland revanche te laten nemen op Frankrijk.)

In de tijd tussen 1870 en 1914 trok Duitsland op een keer de stoute schoenen (puttées) aan, en trokken de soldaten door België op naar Frankrijk. Ze moesten wel door België, want de grenzen van Frankrijk zaten potdicht. Niet met mist, maar met versterkingen en soldaten.
België was echter neutraal, het wilde nergens iets mee te maken hebben, dus hadden de Fransen de grens aan die kant maar onbeschermd gelaten. De Fransen dachten: België vindt toch nooit goed dat Duitsland door hun landje trekt.
Dat vond België inderdaad ook niet. Maar de ongehoord brutale Duitsers trokken zich daar niets van aan.

[Commentaar van de leraar: Studeren, je weet te weinig dingen!]

(1959)