Dromen

Als een dief in de nacht...

Het is drie uur in de nacht.
Door een of andere oorzaak word ik wakker. Ik kijk naar buiten.
De hele wereld baadt in een helder licht. Het lijkt alsof het een zonovergoten zomerse ochtend is.
Maar er is geen zon, het is winter en het is drie uur 's nachts.
Het licht is helder, maar toch zacht. Het licht geeft me het gevoel dat de hele wereld van mij alleen is, en dat ik ook de enige mens op deze planeet ben. Dat gevoel is een harmonieuze mengeling van eenzaamheid en gelukzaligheid.
Gelukkig ben ik niet werkelijk de enige mens op de aarde.
Ik woon alleen in een mooie villa. Buiten is alles heel stil en leeg. Er is geen mens te zien.
Nee, ergens bespeur ik toch een oudere buurman met een indisch uiterlijk, die stilletjes buiten zit.
Hij kijkt naar me op een manier alsof hij me waarschuwen wil.
Ik meen dat ik aan de voorkant van de villa iets hoor. Ik ga boven uit een raampje kijken of ik iets kan zien. Als ik naar beneden kijk, dan zie ik Dolly die bezig is met het lappen van de ramen in de voordeur.
Er komt een golf van blijdschap over mij. Ze is teruggekomen! Ze wil weer bij mij zijn! We horen weer bij elkaar! Zij is degene die door God naar mij is toegestuurd. Dat besef heb ik altijd gehad en dat komt nu weer duidelijk bij me op. En ik weet dat het altijd de bedoeling is geweest dat we samen verder zullen gaan, wat er ook tussen ons is geweest of nog zal voorvallen, en hoeveel problemen er ook zullen zijn.
Direct daarop ebt mijn gelukkig gevoel ook weer weg, want dan weet ik weer dat Dolly zoals ik haar nu zie staan en geestelijk voel, niet meer bestaat.
De vraag is of mijn Dolly eigenlijk wel ๓๓it heeft bestaan, zo ja, dan waarschijnlijk maar een heel korte tijd.
Ook besef ik plotseling dat het drie uur in de nacht is. Waarom gaat een mens om die tijd de ramen staan wassen?
Ik krijg argwaan, er klopt iets niet!
Ze is helemaal niet gekomen om weer bij me te blijven; ze wil iets anders.
Ik loop naar beneden om haar te vragen wat ze komt doen.
Als ik beneden ben, blijkt ze niet meer bij de voordeur te zijn. Ik loop naar de kamer, en daar zie ik haar staan, samen met een vreemde man. Ik neem aan dat het haar vriend is, want ik ken hem verder niet.
De vriend heeft een witte broek aan van gladde stof, en ik ook een wit overhemd of iets dergelijks. Hij heeft halflang blond haar, dat strak in model zit. Hij kijkt niet agressief, eerder wat teruggetrokken.
Dolly staat nogal demonstratief voor hem, alsof ze hem moet beschermen. Er wordt, meen ik, niet gesproken.

Als door de bliksem getroffen weet ik ineens wat ze aan het doen zijn! Ze zijn bezig om mijn huis leeg te halen!
Destijds is Dolly bezig geweest mijn geestelijk huis leeg te roven, wat haar bijna is gelukt, en nu wil ze ook nog al mijn stoffelijke bezittingen hebben!
Alle pijn, de leegte, de vernedering, de verlatenheid, de reddeloosheid, de radeloosheid en de duisternis, waarin ze mij zo vaak heeft ondergedompeld, komen nu in verhevigde mate terug.
Maar buiten blijft het wonderbaarlijk mooi licht.

[Deze droom zou later een voorspellende droom blijken te zijn.]

(18 december 1987)


De Begrafenisstoet

Hengelo, het oude winkeltje aan de Twekkelerweg, waar ik jaren geleden woonde en werkte. De telefoon hangt aan het korte stukje muur in het achterste halletje, tussen de keuken en het kantoor. Daar heeft het toestel vroeger, bij de vorige bewoners, ook gehangen. Ik ben in gesprek met Jan Riet, die mij heeft gebeld om een afspraak te maken voor een ontmoeting.
Tijdens het gesprek verschijnt er aan de zijkant van de woning in het smalle gangetje een grote vrachtauto om goederen af te leveren. Het gangetje is zo smal dat er geen twee mensen naast elkaar door kunnen, maar nu is er een brede oprit met veel ruimte er omheen. Door een groot raam in de blinde muur van het pand kan ik de chauffeur van de vrachtauto zien. Ik gebaar dat ik bij hem kom, en verbreek het telefoongesprek met Jan. Aangekomen bij de leveranciersingang, die ook in de blinde muur van het huis zit, blijkt de vrachtauto al weer verdwenen te zijn. Zonder iets uitgeladen te hebben.

We zitten in de kantoorruimte. Ik zit in een gemakkelijke fauteuil, links naast mij zit Peter, een vroegere medewerker. Aan mijn rechterkant op de stoelleuning zit Petra. Petra is Dorothea's nichtje van 18. Nu is ze ook Peter's vriendin. We zitten rustig en tevreden naast elkaar, we zwijgen opvallend en we kijken naar buiten. We kijken naar de straatkant. Peter, die gewoonlijk nogal onrustig is, zit gedwee op zijn stoel en kijkt lichtelijk nors. Petra zit half naar mij toegewend. Ze is gekleed in een ruimvallende lichtgroene jurk. Ik zie dat ze ook niet meer aanheeft dan die jurk.
Zonder dat ik mij er direct van bewust ben, glijdt mijn rechterhand onder haar jurk. De hand ondervindt geen weerstand en ik begin zachtjes over haar schaamhaar te aaien. Petra schijnt het prettig te vinden en er komt een heel mooie, harmonieuze en vredige sfeer over ons. Mijn hand blijft haar schaamstreek strelen, terwijl Petra's linkerhand naar mijn achterhoofd gaat om daar in mijn nekhaar te kroelen en mijn nek te strelen. Dit verhoogt de gelukzalige sfeer tussen ons. Maar het ergert mij gelijktijdig, omdat ik bang ben dat de opvallende handelingen te zien zijn door Peter.

Dorothea loopt ook ergens in huis rond, daar ben ik mij vaag van bewust. Ik zie wazige beelden van nog meer mensen in huis, maar de beelden blijven onscherp.
Ook staat er een van de lage stoelen uit het woongedeelte op een rare plaats bij de toonbank in het winkelgedeelte.
Er komt weer een grote vrachtauto, nu met aanhanger, de grote oprit - het smalle gangetje - opgereden om iets af te leveren. Twee forse mannen met blozende wangen stappen uit de truck en werpen veelbetekenende blikken naar binnen. Verder contact heb ik niet met ze.

Vlak langs de winkelramen rijdt een begrafenisstoet. Glanzende zwarte limousines rijden over het trottoir van links naar rechts langs het huis. In de auto's herken ik de gebroeders Huuskes van de slagerij aan de overkant van de straat.
Ik weet niet wie er gestorven is, en ik verwonder mij er ook over dat niemand mij iets heeft verteld van een sterfgeval in de straat.
Dan realiseer ik mij plotseling dat ik daar niet meer woon en dat ik alleen maar droom dat ik daar ben.
Ik vind het heel vreemd dat de begrafenisstoet niet gewoon over straat gaat, maar zich tussen mijn auto en het huis doorwurmt. Ik hoop dat mijn auto niet beschadigd raakt.

[25 november 1987]