Spiritjuweeltjes (I)

VOORWOORD
DE GOUDGELE KLEUREN
DE SUSSENDE HAND
DE REGEN
JAN
MOEDER
NIEUWJAAR
SNEEUWKLOKJE
WAARLIJK … HIJ
JARIG
HET BOOTJE
NATUUR
HET LELIJKE EENDJE
HET ZAL DE MENS NIET BATEN
ZOMER
GEBED
't KABOUTERTJE
DE VIJF KATJES
NAAR DE KERK
BID EN GE ZULT WORDEN BEVRIJD
GEBROKEN
HET MENS'LIJKE LEVEN
AVONDBEDE
TWEE MOEDE MENSEN
IJSPRET!
POMPELDIE
ZONDAG
ONS SCHONE VADERLAND
ZONNEPRACHT EN GODS MACHT
DE WITTE WERELD
25 MAART

Voorwoord

De gedichtjes in het bundeltje “Spiritjuweeltjes en andere Zonnige Gedichtjes” zijn gemaakt in de periode 1953-1958 op een leeftijd van 7 tot 12 jaar. Veel ervan vallen in de categorieën Jaargetijden, Natuur, School en Religieus.
De religieus getinte gedichtjes zijn opmerkelijk voor een kind van die leeftijd en met een afkeer van kerkbezoek; ze duiden dan ook vaak op bijzondere ervaringen. Leest u bijvoorbeeld DE VOLMAAKTE TAAK OP AARDE in deel II eens een paar keer door.

[De gedichtjes zijn in 1988 als gestencild boekje verschenen in de serie "SPIRITJUWEELTJE": gratis verspreide boekjes over spirituele onderwerpen.] [© 1988 Dick Waanders]


DE GOUDGELE KLEUREN

't Is schemertijd
Vlak voor het ontbijt
Loop ik in de tuin
't Is of ik het zie, als een fortuin
De bomen, bladeren en bloemen
Alles komt zo ineens opdoemen
Alles met goudgele kleuren
't Is of ik het zie als een droom gebeuren!
(10 jaar)

DE SUSSENDE HAND

Op een koude winterdag
Zat ik te kijken naar wat ik zag
Sneeuw, storm en wind
Het uitzicht werd verblind
Tot in de nacht ging het door
Maar 's morgens keek ik raar op hoor!
Alles was kalm, de zon scheen over 't land
God had alles gesust met Zijn hand
(5 januari 1958) (11 jaar)

DE REGEN

Sputter-de spetter-de spat!
De straten krijgen een bad
Van 's morgens vroeg tot 's avonds laat
Klinkt het gespetter in de straat
Alle daken worden nat
Van al dat gespat
Een oud vrouwtje kan nog net lopen
Ze gaat naar de winkel om wat te kopen
(8 jaar)

JAN

Jan is een aardig ventje
Hij is geboren in de lente
Zo'n beste Janneman
En wat hij al kan?
Dat is dit:
Hij maakt een rit
Op het paard
Het paard staat bij de haard
(8 jaar)

MOEDER

Ze moet vroeg opstaan
Ze moet laat naar bed gaan
De hele dag is ze in de weer
Ze zorgt dat ik goed leer
En zegt dat ik me goed moet wassen
Ze zorgt voor mantels en voor jassen
Hemd, broek en trui, dat alles wast zij
En die het weer vuil maken, dat zijn wij
Ze kookt het eten
En ze zal ons nooit vergeten
Ook is ze heel lief voor mij
Die me altijd helpt, dat is ZIJ
(10 jaar)

NIEUWJAAR

De eerste dag van 't jaar ...
We zaten gezellig bij elkaar
Naar de sneeuwvlokken te turen
Wie zou hen besturen?
Op deze nieuwjaarsdag
Is 't dat ik het zag:
De toekomst die komen moet
Die wordt mooi en goed
(1 januari 1958) (11 jaar)

SNEEUWKLOKJE

Eenzaam, verlaten
Stond het eerste sneeuwklokje daar
De schaapjes in de weide blaatten
En ze keken er naar
Enk'le dagen geleden
Was 't uit de grond gekomen
De boeren die er langs reden
Zagen ook de spruiten aan de bomen
Overal begint het nieuwe leven
Op het platteland en in de stad
Overal valt weer wat te beleven
En overal ziet men dat
Nu het eindelijk gekomen is
Dat wat de lente heeft gebracht
Moge het zich onthullen zonder stoornis
Er is zo lang al op gewacht
(Maart 1958) (11 jaar)

WAARLIJK … HIJ

Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op zich genomen
Doch wij wilden niet tot Hem komen
Hij heeft onze smarten gedragen
Doch wij lieten toe dat Hij werd geslagen
Dat Hij van God verlaagd
Verdrukt, en was geplaagd
Dat alles achtten wij
Achtten wij Hem ..… Hij!
Hij, die om onze ongerechtigheden was verwond
De striemen die Hem hadden gewond
Waren voor ons als genezing
Hij ..… die aan het kruis hing
Doch toen, onder alle pijn, deed Hij z'n mond niet open
Met onze zonden konden wij naar Hem lopen
Als een lam dat stom is voor z'n scheerder
Was Hij ..… onze Heer d'r
(Pasen 1958) (11 jaar)

JARIG

In heldergele kleur
Met frisse geur
Komen de narcisbloemen
Uit de vaas opdoemen
't Is een cadeau voor u
Moeder, die jarig is nu
De vaas en "narcisje-geel"
Behoren tot een geheel

HET BOOTJE

Er dreef wat in het slootje
Wat was dat?
Dat was een bootje
En daarin zat een kat
Wat deed dat bootje
En waar was dat van?
Ja, dat was van Kootje
En van zijn broer Jan
Dat bootje had zijn vader gemaak'
Kootje z'n vader was een beste man
Want hij had een houtzaak
Kootje z'n vader heette Jan
Maar zijn bootje was hij kwijt
Nu was het uit met de pret
Kijk eens naar de tijd
Kootje moest naar bed
(8 jaar)

NATUUR

De bloempjes bloeien
De wind begint te loeien
Alles gaat weer groeien
In de wei lopen de koeien
(8 jaar)

HET LELIJKE EENDJE

Vader en moeder eend wachtten
Vader en moeder eend dachten
Dachten allebei precies gelijk
Wachtten en dachten het in hun eendenrijk

Ze wachtten op de jonge spruiten
Ze dachten: "Wanneer komen ze nu naar buiten?
We wachten nu al zo veel dagen!"
Maar de eendjes durfden zich nog niet buiten te wagen

Eindelijk kwamen ze uit hun ei
Wat waren pa en moe toen blij
Eén laatkomer was er nog
Maar even later kwam hij toch

Maar … hij deed alles verkeerd
Hem kon niets worden geleerd
Hij werd uit het groepje verstoten
Dat heeft hem erg verdroten!

Nadien was hij alleen en verdrietig
Voelde zich klein en nietig
Maar al gauw nam een and're familie hem aan
En daar leefde hij gelukkig voortaan!

HET ZAL DE MENS NIET BATEN

Het zal de mens niet baten
Als hij God gaat haten
Christus overwint toch
En doorziet alle leugens en bedrog

Het zal de mens niet baten
Als hij het geloof gaat verlaten
Als hij Christus niet meer erkent
En z'n zwakheid de duivel bekent
(13 jaar)

ZOMER

't Is zomer, heerlijk fijn
Zo te dart'len en te springen
In de zonneschijn te zijn
Zo te huppelen en te zingen
Is dat nu niet fijn?
De bloemen bloeien
De vogels fluiten
De bomen groeien
En de zon schijnt lekker buiten
(9 jaar)

GEBED

O God, luister naar mijn gebed
Dan ben ik gered
Voor altijd gered
Luister dan naar mijn gebed
(8 jaar)

't KABOUTERTJE

Er liep een kabouter over de weg
Hij was blij
Want hij had een mooi huisje in de heg
Hij zat op een kei
Want hij had een best leven
Maar dat duurde maar even
Toen opeens … zijn mooie leven was weg
't Kaboutertje zijn vrouw was gestorven
Daar in zijn huisje in de heg
Toen was 't kaboutertje zijn leven bedorven
(8 jaar)

DE VIJF KATJES

De katjes kwamen aan
Met hun vijven te saam
De knoppen gingen open
Heel langzaam aangeslopen

Op een dag kwamen ze met hun vijfjes
Heel, heel alleen uit hun lijfjes
Daar stonden ze zacht
Met alleen hun dunne vacht
(8 jaar)

NAAR DE KERK

Dick moest naar de kerk
Maar welke dominee was er?
Dominee de Berk
De kerk was niet ver

De dominee sprak over God
Wat een mooie geschiedenis
Hij sprak ook over Lot
En daar was iets mis
(8 jaar)

BID EN GE ZULT WORDEN BEVRIJD

Klein en teder ben ik geboren
'k Was al zondaar, al verloren
Maar Jezus' hand redde mij
Dat is het wat mij heden nog verblij'

Christus wil ik blijven loven
Hij, Hij gaat alle mens te boven
Naar elke zondaar kijkt hij om
Naar de kleinsten, nietig en stom

Want zo heeft hij eens gezegd:
Mijn kind heb Ik in de wieg gelegd
Laat zij dus tot Mij komen
En houdt gij uw mond, gij "vromen"

Ja, elk schepsel helpt Hij voort
Geen wezen dat hem daarin stoort
En zijt gij soms in moeilijkheid
Bid, en ge zult worden bevrijd

GEBROKEN

De muur was gebroken
Hoe kwam dat?
Van het koken
En van het nat
(8 jaar)

HET MENS'LIJKE LEVEN

Zo 's morgens om zeven uur 't haantje weer kraait,
Dat buiten staat, in de wind die lustig waait,
Dan begint het leven in huis en op straat,
Dan kruipen de mensen hun bedden uit,
Sommigen vroeg, and'ren laat.
Het is de fabriek die de mannen fluit,
De kind'ren gaan zonder zorgen naar school,
Maar ouderen denken niet aan pret en jool.
(20 februari 1958) (11 jaar)

AVONDBEDE

Barmhartige God
Die beschikt over ons lot
Wil het kwaad dat we deze dag hebben bedreven
Ons genadig vergeven
Gij die geen kwaad duldt
Zijt met goedheid vervuld
Wil ons weer rust geven
En laten wij naar Uw wil streven
Geef morgen ons weer een zegen
Here God, wij zijn U genegen
Breng ons morgen weer op ons werk samen
Dit vragen wij, om Jezus wil, amen

TWEE MOEDE MENSEN

Twee moede mensen sjokten voort
Naar het Bethlehems oord
Ze moesten worden beschreven
Wat zouden ze daar wel beleven?

Aangekomen, klopten ze bij een herberg aan
Maar daar moesten ze weer verdergaan
Eind'lijk werd hun toegezegd een stal
En zie, daar lag het kindje al

Het kindje dat in het kribbeken was
Het kindje dat Jezus was
Jezus werd de vredevorst
Die alle zonden van de wereld torst
(17 december 1957) (11 jaar)

IJSPRET!

IJs, ijs, ijs!
Ga je naar het ijs, Gijs?
Ja, ja, ja!
Ik ga, ik ga,
Naar het ijs.
Goed Gijs.
(8 jaar)

POMPELDIE

Pompeldie, pompeldie, jij kleine guit,
Met je leuke gele snuit,
Je plast en ploetert wel lustig door 't water,
Maar hou toch op met dat gesnater!

Pompeldie, pompeldie, jij kleine eend,
Met al je kleine krachten vereend,
Kom jij naar mij,
Ik ben ook in de wereld vrij.

Zullen we samen verder spelen?
Met elkaar zullen we ons niet vervelen.
Kom, ga vliegen met mij,
Dan zijn we samen blij.
(10 maart 1958) (11 jaar)

ZONDAG

Zondag is een blijde dag.
Alle klokken van de kerken
Roepen: Rust nu van het werken.
Alle klokken luiden luid:
Mensen komt uw huizen uit.
Dankt God met lied en bede.
Zondag is een dag van vrede,
Geeft elkaar een gulle lach!
(8 jaar)

ONS SCHONE VADERLAND

Zacht ruisend
Zacht bruisend
Zacht vliedt de waterstroom.
Luid zingend
Hippend en springend
Is de koekoek in bos en boom.

De ooievaar
"De lepelaar"
Zit bij de waterbeek.
De hoenderkip
De watersnip
Die zitten bij de rietkreek.

De bloem
En haar roem
Behoren tot de waterkant.
Het meer
En zijn eer
Zijn in ons vaderland.
(Maart 1958) (11 jaar)

ZONNEPRACHT EN GODS MACHT

Met uw pracht gekleurde stralen, Zon
Bent u de grootste lichtbron
Uw stralen kleuren velden en wegen
Uw licht is Gods zegen
Uw schijnsel schijnt overal
Overal waar God u wijzen zal
God is almachtig
En Zijn sterke hand is krachtig
(6 februari 1958) (11 jaar)

DE WITTE WERELD

Het is vandaag de witte wereld
De vlokjes dwarrelen hoog in de lucht
Ze spelen krijgertje
Ze zijn voor elkaar op de vlucht
Heel langzaam en voorzichtig
Komen ze aarzelend neder
Ze zijn zo broos
Heel klein en teder
(8 jaar)

25 MAART

Schoon is de dag, die er heden is,
Niemand heeft verdriet of droefenis,
Nu is er feest en vrolijkheid.
Ieder die hier is, is er op bereid,
Dat straks de tafel wordt gedekt,
En dat het diner haar overdekt.

Zo snel de dag gekomen is,
Zo verdwijnt hij ook weer gewis.
Het was een mooie plechtigheid,
Maar zie nu eens de tijd.
Morgen zul je hebben ontdekt:
Deze verjaardag was perfect!
(9 jaar)